Hogere opleiding migrant betaalt zich (nog) niet uit

DEN HAAG Migranten die langer hebben doorgeleerd en beter Nederlands spreken, scoren nauwelijks beter op de arbeidsmarkt dan hun laaggeschoolde ouders en leeftijdgenoten.

De opstellers van het rapport ‘Integratie in zicht?’ zien ‘een stijgend onbehagen van migranten’, ook al omdat de werkloosheid onder niet-westerse migranten nog altijd drie keer zo hoog is als onder autochtone Nederlanders (15,2 procent tegenover 5,6 procent).

Het Sociaal en Cultureel Planbureau spreekt van een ‘spanningsvol beeld’. ‘Aan de ene kant is sprake van een stijgend opleidingsniveau, verbeterde onderwijsprestaties en een betere beheersing van de Nederlandse taal. Aan de andere kant is er sprake van een blijvend grote (kansen)achterstand op de arbeidsmarkt en een stijgend onbehagen van migranten over hun leven en mogelijkheden in dit land.’

De verwachting dat de integratie van de tweede generatie een versnelling zou krijgen, komt maar (zeer) ten dele uit, concludeert het SCP. ‘De kansengelijkheid op de arbeidsmarkt is de afgelopen vijftien jaar niet wezenlijk veranderd.’

Het rapport gaat vooral over de grootste vier niet-westerse migrantengroepen: Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders en over de groep ‘overig niet-westers’. De Nederlandse taalbeheersing is binnen de Turks- en Marokkaans-Nederlandse groep gestaag toegenomen, maar het houdt volgens de onderzoekers niet over. ‘Turkse Nederlanders hebben het vaakst moeite met de Nederlandse taal. Minder dan de helft (43 procent) spreekt vaak of altijd Nederlands met hun kinderen.’

In zijn geheel is het opleidingsniveau van migranten gestegen, maar er is nog flink wat werk te verzetten. ‘Een derde van de Turks- en Marokkaans-Nederlandse bevolking tussen 15-65 jaar heeft alleen basisonderwijs gevolgd (tegen 6 procent van de autochtoon Nederlandse bevolking). De tweede generatie is wel beduidend hoger opgeleid dan de eerste.’

De hogere werkloosheid onder niet-westerse migranten is een grote zorg, aldus het SCP. De zwakke arbeidsmarktpositie van migranten blijkt ook uit het hoge aandeel flexibele banen (37 procent versus 24 procent bij autochtone Nederlanders). Extra verontrustend vindt het SCP het dat de migranten de afgelopen vijftien jaar hun arbeidsmarktpositie niet of nauwelijks hebben kunnen verbeteren. Volgens de onderzoekers is de ongelijkheid tussen autochtone Nederlanders en migranten bij economische tegenwind sowieso groter.

Maar er zijn ook positieve ontwikkelingen, zoals de toegenomen participatie van Turks- en Marokkaans-Nederlandse vrouwen en een groter wordende middenklasse onder migranten. Het beroepsniveau van werkende migranten stijgt. Bijna een kwart (23 procent) van die tweede generatie niet-westerse migranten heeft een baan op het hoogste niveau, dit was begin deze eeuw nog 15 procent.