Veranderingen binnen anderhalfverdieners: Vrouwen werken steeds meer

Veel Nederlandse stellen zijn anderhalfverdieners. Dat is al jaren zo, maar er zijn veranderingen. Nederlanders werken steeds meer, waarbij vooral vrouwen met een partner vaker werken én ook meer uren maken.

Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het CBS. In 2018 telde Nederland 3,3 miljoen paren waarvan minstens één of beide partners werkten. De grootste groep daarbinnen (1,6 miljoen) zijn anderhalfverdieners: stellen waarbij één partner fulltime werkt en de andere parttime. Binnen deze groep is er wat aan het veranderen. Een ruime meerderheid van de deeltijders werkt minstens 20 uur per week. Dat aandeel neemt gestaag toe. Daarmee vormt deze groep de ‘grote’ anderhalfverdieners. Het aantal ‘kleine’ anderhalfverdieners daalt daarentegen juist.

Meer banen, meer gewerkte uren

Volgens CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen ligt de oorzaak hiervan bij het toegenomen aandeel hogeropgeleide vrouwen. “Deze vrouwen werken ook meer uren. Moeders van jonge kinderen werkten in 2003 gemiddeld 15 uur, terwijl dit gemiddelde in 2018 op 22 uur per week lag.” De aantrekkende economie speelt hierin een rol. Deze zorgt voor meer banen en dus gemiddeld ook voor meer gewerkte uren. Van Mulligen: ,,In 15 jaar tijd is de gemiddelde arbeidsduur van moeders met jonge kinderen gestegen met 6,5 uur. Dat is bijna een hele werkdag die erbij is gekomen.’’

Paren met jonge kinderen

Vooral bij paren met jonge kinderen zijn veel ‘grote’ anderhalfverdieners te vinden. In 2018 ging het om 46 procent. Verdelen we dit naar onderwijsniveau, dan zijn er grote verschillen te zien. Is de moeder laagopgeleid, dan hoort 26 procent van de desbetreffende stellen tot de grote anderhalfverdieners; bij een hoogopgeleide moeder is dat 52 procent. Paren zonder jonge kinderen zijn relatief vaak één- of tweeverdieners die fulltime werken.

Uitstervende eenverdiener

Grote daler is de eenverdiener. Stellen waarin een van de partners werkt en de ander niet, worden steeds schaarser. Van Mulligen geeft aan dat het niet specifiek onderzocht is, maar denkt dat de eenverdieners vooral oudere paren zijn. “Er zijn nog maar weinig stellen onder de veertig jaar waarbij niet allebei de partners werken.”